Zelfstandige naamwoorden

    Zelfstandige naamwoorden in het Duits

    In deze tekst krijg je uitleg over het geslacht van zelfstandige naamwoorden.
    In het Duits heb je drie verschillende geslachten bij de zelfstandige naamw
    oorden:
    Dit zijn:
  • Vrouwelijk: (die-woorden)
  • Mannelijk: (der-woorden)
  • Onzijdig: (das-woorden)


  • Voor het meervoud staat in het Duits altijd het lidword "die".

    In het Nederlands hebben we er maar twee, namelijk "de" en "het". Maar aan de andere kant maken we bij "de-woorden" wel een onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke "de-woorden" denk maar aan de vrouw (=zij) en de man (=hij).
    In de tabellen hieronder vind je een overzicht van een aantal uitgangen waaraan je kan herkennen dat een zelfstandig naamwoord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is.
    Leer deze uitgangen ook goed, want het Duits kent ook naamvallen. Dat betekent dat de vorm van de lidwoorden soms gaat veranderen. En daarvoor moet je weten wat voor lidwoord voor een zelfstandig naamwoord hoort te staan.
    Voor deze oefening moet je heel goed in de tabellen kijken om het goede lidwoord of de juiste uitgang aan te klikken.
    Ga naar:

     Mannelijke zelfstandige naamwoorden

     Vrouwelijke zelfstandige naamwoorden

     Onzijdige zelfstandige naamwoorden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Der-woorden

    Mannelijke zelfstandige naamwoorden zijn:
  • mannelijke personen of dieren, zoals bijvoorbeeld: der Trainer,der Chef of der Elefant
  • dagen, maanden, jaargetijden en windstreken zoals der Samstag, der Januar, der Winter, der Süden
  • stammen van werkwoorden, zoals der Anfang (anfangen), der Traum (träumen) of der Flug (fliegen)
  • Ernaast herken je het geslacht vaak aan bepaalde uitgangen.
    Hieronder volgen e
    en paar:
    (Tussen haakjes staat uit welke taal deze woorden afkomstig zijn)

    uitgang voorbeelden
    -ich Teppich, Bottich, Kranich, Rettich
    -ig König, Käfig, Honig, Pfennig, Essig
    -ling Schmetterling, Fremdling, Zwilling, Prüfling
    -s Schnaps, Klaps, Knicks
    -and (Latijn) Doktorand, Informand, Proband
    -ant (Latijn) Adjutant, Fabrikant, Informant, Musikant
    -är (Frans) Aktionär, Parlamentär, Militär, Legionär
    -ast (Grieks-Latijn) Phantast, Gymnasiast
    -er (bij beroepen) Lehrer, Bäcker, Minister
    -eur/-ör (Frans) Amateur, Friseur, Ingenieur- Likör
    -(i)ent (Latijn) Interessent, Student, Referent, Konsument
    -ier (Frans) Bankier, Routinier
    -ier (Frans-Italiaans) Offizier, Kavalier, Grenadier
    -iker (Grieks-Latijn) Fanatiker, Graphiker, Mechaniker, Philharmoniker
    -ikus (Grieks-Latijn) Musikus, Kanonikus
    -ismus (Grieks-Latijn) Idealismus, Realismus, Kapitalismus, Optimismus
    -ist (Grieks-Latijn) Anarchist, Artist, Jurist, Optimist
    -or (Latijn) Motor, Katalysator, Direktor



      nach oben

     die-woorden

     das-woorden

    Die-woorden

    uitgang voorbeelden
    -ei Bücherei, Plauderei, Singerei
    -in Löwin, Freundin, Lehrerin, Studentin
    -heit Gottheit, Einheit, Kindheit, Krankheit
    -keit Fruchtbarkeit, Eitelkeit, Höflichkeit, Flüssigkeit
    -schaft Freundschaft, Eigenschaft, Herrschaft, Kundschaft
    -ung Achtung, Nahrung, Bildung, Kündigung, Werbung
    -a (Grieks-Latijn) Kamera, Aula, Ballerina
    -ade (Frans) Ballade, Marmelade, Olympiade
    -age (Frans) Garage, Bagage, Courage, Etage
    -ance (Frans) Renaissance, Usance
    -äne (fn.) Fontäne, Moräne, Quarantäne
    -anz (Latijn) Arroganz, Distanz, Eleganz
    -e (de meeste woorden) Schule, Lampe, Tasche
    -elle (Frans-Italiaans) Bagatelle, Frikadelle, Zitadelle
    -ette (Frans) Etikette, Facette, Toilette, Tablette
    -euse (Frans) Friseuse, Masseuse
    -ie (Latijn) Materie, Folie, Historie, Glorie
    -ie (Grieks-Latijn) Geographie, Lotterie, Phantasie
    -(i)enz (Latijn) Audienz, Existenz, Konsequenz, Tendenz
    -ik (Grieks-Latijn Musik, Politik, Mathematik, Statistik
    -ine (Grieks-Latijn) Margarine, Blondine, Maschine, Kabine
    -ion/-ation (Latijn-Frans-Engels Reduktion, Explosion, Kalkulation, Qualifikation
    -(i)tät (Latijn-Frans) Banalität, Kapazität, Qualität, Realität, Universität
    -itis (gnech.) Bronchitis, Rachitis
    -ive (Latijn-Frans) Defensive, Offensive, Alternative
    -ose (Grieks) Neurose, Tuberkulose, Osmose
    -sis/se (Grieks) Basis, Dosis, Analyse
    -ur (Latijn) Natur, Kultur, Temperatur, Zensur



      nach oben

     der-woorden

     das-woorden

    Das-woorden

    uitgangen voorbeelden
    De meeste het-woorden Haus (huis), Buch (boek), Dach (dak)
    -chen, -lein (verkleinvorm) Mädchen, Wäldchen, Fräulein, Männlein
    -tel Drittel, Viertel (van -teil)
    -tum Eigentum, Christentum, Heldentum
    -ett (Frans-Italiaans) Ballett, Bankett, Büfett, Etikett, Parkett, Tablett
    -ing (Engels) Doping, Jogging, Meeting, Shopping, Training
    -(i)um (Latijn) Album, Datum, Plenum, Museum
    -ma (Grieks) Asthma, Plasma, Klima, Komma, Thema
    -ment (Latijn) Argument, Dokument, Instrument, Experiment



      nach oben

     der-woorden

     die-woorden