Helpdesk - modale werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd
    Modale werkwoorden in het Duits


    Betekenis van de modale werkwoorden:

  • dürfen --> mogen

  • können --> kunnen
  • mögen --> lusten, graag willen
  • müssen --> moeten
  • sollen --> moeten, zullen
  • wissen --> weten
  • willen --> wollen


  • Verleden tijd van de modale werkwoorden:

    De vormen van de modale werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd lijken sterk op de zwakke (=regelmatige) werkwoorden. Je moet er een paar stappen ondernemen om de goede vorm te vinden:

    1. Je zoekt telkens eerst de stam.

    2. Dan voeg je eerst -te voor de verleden tijd toe.

    3. Hieraan voeg je (daar waar nodig) de uitgang toe.

    4. Vervolgens moet je bij een aantal modale werkwoorden de stamklinker veranderen

    We onderscheiden drie groepen van de modale werkwoorden in de o.v.t..

    groep 1: Deze groep omvat de werkwoorden sollen en wollen.
    Deze werkwoorden worden op dezelfde manier vervoegd als zwakke werkwoorden.

    groep 2: Deze groep omvat de modale werkworden dürfen, können, müssen en wissen.

    Bij deze werkwoorden verandert de stamklinker in de verleden tijd:
  • dürfen ->durfte (ü wordt u).
  • können ->konnte (ö wordt o).
  • müssen ->musste (ü wordt u).
  • wissen ->wusste (i wordt u).


  • Vervolgens worden deze werkwoorden "regelmatig" vervoegd.

    groep 3: Het werkwoord mögen wijkt enigzins af van de rest, omdat hier de hele stam verandert.
    mögen ->mochte (mög wordt moch).

    Alle vormen van de modale werkwoorden vind je in het tabelletje hieronder:
    Alle afwijkingen t.o.v. zwakke werkwoorden zijn gele opgelicht.

     

    groep 1:
    sollen

    ich sollte

    du solltest

    er/sie/es sollte

    wir sollten

    ihr solltet

    sie/Sie sollten
    wollen

    ich wollte

    du wolltest

    er/sie/es wollte

    wir wollten

    ihr wolltet

    sie/Sie wollten
     

     

    groep 2:
     

    ich

    du

    er/sie/es

    wir

    ihr

    sie/Sie
    dürfen

    durfte

    durftest

    durfte

    durften

    durftet

    durften
    können

    konnte

    konntest

    konnte

    konnten

    konntet

    konnten
    müssen

    musste

    musstest

    musste

    mussten

    musstet

    mussten
    wissen

    wusste

    wusstest

    wusste

    wussten

    wusstet

    wussten

     

    groep 3:
     

    ich

    du

    er/sie/es

    wir

    ihr

    sie/Sie
    mögen

    mochte

    mochtest

    mochte

    mochten

    mochtet

    mochten